Lotsverbondenheid – wattuh?

Behoefte, partneralimentatie en lotsverbondenheid

Behoefte, partneralimentatie en lotsverbondenheid

Jeroen is bijna 10 jaar gescheiden wanneer hij tegenover me zit. Duidelijk iemand die het voor de wind gaat. Bij de echtscheiding heeft Paula, zijn ex, een goed vermogen meegekregen en een hoge partneralimentatie.

Drie jaar geleden ging het financieel slecht en is er via een procedure een lagere partneralimentatie vastgelegd bij de rechtbank, omdat hij enige tijd minder inkomen had. Inmiddels gaat het hem financieel weer beter en hier heeft Paula lucht van gekregen.

Jeroen laat me een ingediend verzoekschrift zien, waarmee Paula een procedure heeft aangespannen ter verhoging van de partneralimentatie. Paula meent namelijk dat zij niet geacht kan worden een verdiencapaciteit te hebben (dus dat zij niet kan werken). Zij stelt dat zij ernstig fysiek en psychisch beperkt is door stress ten gevolge van de echtscheiding en de alimentatie. Dit zorgt ervoor dat zij niet kan werken en dus recht heeft op meer alimentatie.

Jeroen is het hier niet mee eens en daarom zit hij tegenover me. Hij vindt het vreemd dat zijn ex nooit heeft geprobeerd meer inkomen te gaan verdienen om in haar eigen onderhoud te voorzien. Dit is toch niet zo vreemd? Zoveel vrouwen doen dit toch?

Ik ben het met Jeroen eens. Echter wel op andere gronden. Na het huwelijk is de (voornaamste) grondslag voor partneralimentatie de lotsverbondenheid tussen de voormalige partners. Deze lotsverbondenheid is tijdens het huwelijk opgebouwd en houdt met de echtscheiding niet zomaar op te bestaan.

Jeroen kijkt me aan alsof ik van Mars kom. Lotsverbondenheid? Inderdaad. Ik leg uit, dit is de gemeenschappelijk geschiedenis en toekomst die man en vrouw samen delen. Heb je het in het verleden (lees: tijdens het huwelijk) goed gehad, dan heb je hier ook recht op in de toekomst (lees: na de scheiding). De mate van welvaart zou voor beiden na het huwelijk nog hetzelfde moeten zijn. Hierin ligt dus de grondslag voor de partneralimentatie. De een dient bij te dragen in de behoefte van de ander. Er is een onderhoudsverplichting.

In de rechtspraak is men wel de mening toegedaan dat de lotsverbondenheid wel steeds verder afneemt na de echtscheiding en dat de ontvangende partner zich meer moet inspannen om in het eigen levensonderhoud te gaan voorzien na de echtscheiding. Paula  heeft deze inspanningen duidelijk niet verricht. Zij heeft in de 10 jaar na de echtscheiding eigenlijk geen enkele poging gedaan om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, niet volgens Jeroen in ieder geval. Naar maatschappelijke normen mag worden verwacht dat Paula de verantwoordelijkheid had genomen om in haar eigen levensonderhoud te (gaan) voorzien. In de loop van de 12 jaar na de echtscheiding neemt de (huwelijksgerelateerde) behoefte steeds verder af door de afnemende lotsverbondenheid én wordt de verdiencapaciteit geacht toe te nemen.

Ik kan Jeroen dus geruststellen dat het met de vermeerdering van de partneralimentatie niet zo’n vaart zal lopen. Het Hof Den Haag heeft hierover onlangs nl. ook nog een uitspraak gedaan en dit bevestigd.

 

Bron: Gerechtshof Den Haag 30 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2744

Delen via: facebooktwittergoogle_plus